Was Petrus de eerste paus? Een protestants-evangelische vriend zegt dat keizer Constantijn de eerste paus maakte.

Het lijdt geen twijfel dat Petrus de eerste paus van de katholieke kerk was. Aangezien de kerk tot 313 na Christus door het Romeinse Rijk werd vervolgd en de officiële Romeinse geschiedschrijvers zich niet met de zaken van de kerk bezighielden, moeten we vertrouwen op de getuigenis van de vroege kerkvaders.

St. Irenaeus (d. 202) beschreef in zijn Adversus Haereses hoe de kerk te Rome was gesticht door Petrus en Paulus en traceerde de overdracht van het ambt van Petrus via Linus, Cletus (ook wel Anacletus genoemd), Clement en zo verder via 12 opvolgers tot aan zijn eigen tegenwoordige paus Eleutherius. (Zelfs in de Romeinse Canon, of het eerste eucharistische gebed, gedenken wij Petrus en de apostelen, evenals Linus, Cletus en Clementus, deze eerste vier pausen van de kerk die regeerden in de eerste eeuw). Bovendien legde de heilige Irenaeus de nadruk op het leergezag van de paus: “Want met deze kerk (van Rome), vanwege haar superieure oorsprong, moeten alle kerken instemmen, dat wil zeggen alle gelovigen in de hele wereld; en het is in haar dat de gelovigen overal de apostolische traditie in stand hebben gehouden.” Hier werd het ambt van de paus erkend als door Christus ingesteld om leiding en authentiek onderricht te geven aan de hele kerk.

St. Irenaeus belichtte ook de problemen die ontstonden in de kerk van Korinthe ten tijde van paus Clement en hoe hij op eigen initiatief ingreep om corrigerend op te treden: “In de tijd van deze Clement, toen er een niet geringe tweedracht was ontstaan onder de broeders te Korinthe, zond de kerk te Rome een zeer krachtige brief aan de Korintiërs, waarin zij hen tot vrede aanspoorde, hun geloof vernieuwde en de traditie verkondigde, die zij de laatste tijd van de apostelen had ontvangen.” Het mooie van dit voorval is dat de kerk van Korinthe het gezag van de opvolger van Petrus respecteerde, berouw toonde en de nodige correcties aanbracht. Eusebius (339) in zijn Geschiedenis van de Kerk hoe deze brief werd ontvangen, gelezen en gerespecteerd in andere kerken: “Clement heeft ons een erkende brief nagelaten, lang en wonderbaar, die hij in naam van de kerk van Rome heeft samengesteld en naar de kerk van Korinthe heeft gezonden, waar onlangs tweedracht was ontstaan. Ik beschik over bewijzen dat deze brief in veel kerken in de begintijd hardop werd voorgelezen aan de gelovigen, zoals dat ook in onze tijd gebeurt. Het is duidelijk dat de kerk als geheel het primaatschap en het gezag van de opvolger van Petrus erkende.

Een andere grote vroege kerkvader om te benadrukken is de heilige Cyprianus van Carthago (d. 258). In zijn De Eenheid van de Katholieke Kerk onderwees hij, na Mattheüs 16:13-20 geciteerd te hebben: “En weer zegt (Jezus) tot (Petrus) na zijn verrijzenis: ‘Weid mijn schapen.’ Op hem bouwt Hij de kerk, en aan hem geeft Hij het bevel de schapen te weiden; en hoewel Hij aan alle apostelen een gelijke macht toekent, toch sticht Hij één enkele zetel, en Hij vestigt door zijn eigen gezag een bron en een intrinsieke reden voor die eenheid. … Aan Petrus wordt het primaat verleend, waardoor duidelijk wordt gemaakt dat er slechts één kerk en één stoel is. Zo zijn ook allen herders, en de kudde wordt gevoed door alle apostelen in eensgezindheid. Als iemand niet vasthoudt aan deze eenheid van Petrus, kan hij zich dan voorstellen dat hij het geloof nog bezit? Als hij de stoel van Petrus, op wie de kerk is gebouwd, verlaat, kan hij er dan nog op vertrouwen dat hij in de kerk is?” Bedenk dat de stoel het ambt en het gezag van de paus voorstelt, dat Jezus aan Petrus en zijn opvolgers heeft gegeven. Ook hier werd het ambt van de paus erkend als door Christus ingesteld om een teken van eenheid te zijn en om leiderschap en authentiek onderricht voor de hele kerk te verschaffen.

Vele andere vroege kerkvaders ten tijde van de vervolging, zoals Tertullianus (d. 250) in De praescriptione haereticorum en Origenes (d. 254) in zijn Commentaren op Johannes, getuigen ook van het ambt, de rol en het gezag van de heilige Petrus en zijn opvolgers. Natuurlijk worden deze eigenschappen versterkt na de legalisatie van het christendom, en vooral na de val van het Romeinse Rijk en de daaropvolgende politieke chaos. Niettemin kan onze kerk zich beroemen op een ononderbroken lijn van legitieme opvolgers van Petrus, die in de plaats van Christus staan als zijn plaatsvervanger, en een fundamentele bron van kerkelijke eenheid zijn.

Om goede redenen heeft het Tweede Vaticaans Concilie opgemerkt dat de paus, de bisschop van Rome en de opvolger van Petrus, “de eeuwige en zichtbare bron en grondslag is van de eenheid zowel van de bisschoppen als van het geheel van de gelovigen. Want de Romeinse paus heeft op grond van zijn ambt als plaatsvervanger van Christus en als herder van de gehele kerk de volle, hoogste en universele macht over de gehele kerk, een macht die hij altijd ongehinderd kan uitoefenen” (“Lumen Gentium”, nrs. 22, 23). Toch moeten we altijd onthouden dat een van de officiële titels van de paus, voor het eerst aangenomen door paus Gregorius de Grote (d. 604), is “dienaar van de dienaren van God”. Mogen wij bij het overdenken van dit antwoord denken aan onze Heilige Vader, paus Benedictus XVI, en bidden voor zijn intenties.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *